gebroken

onzijdig (het)/ɣəˈbrokə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wiskunde, verouderd (wiskunde) (verouderd) breuk
    Om aldus eene geheele hoeveelheid welke met een gebroken vervoegd is, tot één gebroken te brengen, vermenigvuldigt met de geheel hoeveelheid door den noemer van het gebroken, en voegt het beloop by den teller van het gebroken. Grondregels der stelkunst {{Aut|G.A. Verstegen, Karel de Craef

Etymologie

* en een klinkerwisseling ee-oo (ː /e/ - /oː/)

Uitdrukkingen

  • Het ijs is gebrokenna een kil begin is men vriendelijk tegen elkaar

Vertalingen

Engelsbroken
Spaansentrecortado, roto