gebiedsuitbreiding

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het vergroten van het territorium dat bij een bepaalde natie behoort
    Eenmaal terug in Frankrijk, in de schoot van het grote, sterke, magnifieke, rustige en glorieuze vaderland, zou ik geproclameerd hebben dat de grenzen onveranderlijk waren; dat elke oorlog slechts een verdedigende was; dat elke nieuwe gebiedsuitbreiding antinationaal was. Ik zou mijn zoon aan het keizerrijk hebben verbonden; mijn dictatuur zou beëindigd zijn en zijn constitutionele regering zou een aanvang hebben genomen...
    De regeerperiode van Augustus markeerde het begin van een bijna tweehonderd jaar durende periode van gebiedsuitbreiding, interne stabiliteit en de toenemende welvaart. Literatuur, bouw en de beeldende kunst kwamen tot grote bloei.