gasten

/ˈɣɑstə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. intr (intr) als een van de genodigden deelnemen aan een maaltijd die iemand anders organiseert
  2. ov, landbouw (ov) (landbouw) bossen gemaaid graan of ander geoogst gewas gebundeld op de akker zetten om te drogen

Etymologie

* verleden tijd: "gaste" met de uitgang -n