gasten
/ˈɣɑstə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (intr) als een van de genodigden deelnemen aan een maaltijd die iemand anders organiseert
- (ov) (landbouw) bossen gemaaid graan of ander geoogst gewas gebundeld op de akker zetten om te drogen
Etymologie
* verleden tijd: "gaste" met de uitgang -n
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek