garde

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɣɑrdə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. huishouden (huishouden) keukengerei bestaande uit een stel gebogen draden waarmee geklopt en geklutst kan worden
    Met een garde slagroom kloppen vereist enig geduld en doorzettingsvermogen.
  2. een lijfwacht
  3. een roede
  4. (Limburg) een horde, keurbende
  5. de jonge garde: de jongeren
    Op de trail had ik eindelijk het gevoel een hippie te zijn omdat ik in een gemeenschap leefde van vrije geesten, kleurrijk en stoffig. Niemand scheerde zijn kin of oksels, bh’s bleken niet te werken onder zware rugzakken en er was een gezonde hoeveelheid vrije liefde onder de jonge garde.
  6. de oude garde: mensen met ideeën en tradities van vroeger

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘keurbende’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1855

Vertalingen

Fransfouet
DuitsSchneebesen
Spaansbatidor