gapen

/ˈɣapə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
    Hij moest gapen en trok een gek gezicht bij zijn poging het te onderdrukken.
  2. met open mond vol verwondering ergens naar kijken
    Zij stond te gapen bij dat bizarre monument.
  3. figuurlijk (figuurlijk) een groot gat/grote holte vertonen; wijd openstaan
    Er gaapte een diepe wond in zijn arm.

Etymologie

*(erfwoord) van Middelnederlands "gapen"

Uitdrukkingen

  • Tegen een oven gapen

Vertalingen

Engelsyawn, gape, gape
Duitsgähnen, gaffen, klaffen
Spaansbostezar
Poolsziewać