gapen
/ˈɣapə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaanHij moest gapen en trok een gek gezicht bij zijn poging het te onderdrukken.
- met open mond vol verwondering ergens naar kijkenZij stond te gapen bij dat bizarre monument.
- (figuurlijk) een groot gat/grote holte vertonen; wijd openstaanEr gaapte een diepe wond in zijn arm.
Etymologie
*(erfwoord) van Middelnederlands "gapen"
Uitdrukkingen
- Tegen een oven gapen
Vertalingen
Engelsyawn, gape, gape
Duitsgähnen, gaffen, klaffen
Spaansbostezar
Poolsziewać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek