gans
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣɑns/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (eendvogels) benaming voor vogels uit de geslachten en , grote, stevig gebouwde watervogelsEr vloog een troep ganzen in V-formatie.
- (informeel) iemand van het vrouwelijk geslacht die weinig intelligent isDomme gans!
Etymologie
*: via Middelnederlands "gans" / "gants" van "ganz", in de betekenis van ‘geheel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236
Uitdrukkingen
- Als de vos de passie preekt, boer pas op je ganzen — als de onrechtvaardigen vrome dingen gaan doen, dan mogen de vromen wel op hunne hoede zijn [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_2595.phpv2477 www.dbnl.org]
- Een vette gans bedruipt zichzelf
- Met de hoed in de hand komt men door het ganse land — iemand die vriendelijk is bereikt meer in het leven dan iemand die onaardig en onbeleefd is
Vertalingen
Engelsgoose, entire
Fransoie, tout, entier
DuitsGans, ganz
Spaansganso, ánsar, oca
Italiaansoca
Portugeesganso, gansa
Russischгусь
Chinees鹅
Japansガチョウ
Koreaans거위
Turkskaz
Poolsgęś
Zweedsgås
Deensgås
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek