gamma
/ˈɣɑma/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (taalkunde) derde letter van het Griekse alfabet
- lettercijfer voor 0,001 mg
- (muziek) reeks noten in opvolgende toonhoogte met een bepaalde toonafstand
- reeks die geordend is naar een eigenschap als sterkte, intensiteit of kleur
- (handel) geheel van verschillende producten of diensten waaruit bij een leverancier kan worden gekozen
- (wetenschap) (onderwijs) iemand die mens en samenleving bestudeert met kwantitatieve methodenOok vaak als eerste deel van een samenstelling die naar zo'n vakgebied verwijst.
Etymologie
**[6] naar analogie van alfa en beta als aanduiding van vakgebieden
Vertalingen
Spaansgamma, escala, gama
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek