gaai
mannelijk (de)/ɣaj/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, uit het geslacht van de kraaienfamilie () en in het bijzonder de soortIn Europa bedoelt men meestal de Vlaamse gaai als men gaai zegt, maar er zijn wereldwijd een ruim aantal, niet altijd nauw verwante soorten die ook zo genoemd worden.
- (sport) een houten klos die als doelwit gebruikt wordt bij het spelen van gaaibol
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Vertalingen
Engelsjay
Fransgeai des chênes
DuitsEichelhäher
Spaansarrendajo
Italiaansghiandaia
Portugeesgaio
Russischсойка
Zweedsnötskrika
Deensskovskade
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek