géén
/ɣen/
Betekenis
lidwoord
- uitdrukkelijk niet (een, de, het)Het is géén reisgids en bevat dan ook geen routebeschrijvingen of wandelingen.
telwoord
- nul, uitdrukkelijk niet éénMaar van die 53 werden er 34 over Amsterdam verhoord, 18 over Maastricht, slechts één over de vlasindustrie en helemaal géén over Tilburg.
voornaamwoord
- niemand, niet eenGéén, die daar ook maar iets om gaf,(...)
Etymologie
*van geen, met nadruk en beklemtoond uitgesproken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek