fysicus
mannelijk (de)/ˈfiziˌkʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) wetenschapper die de fysica of natuurkunde beoefent.Zijn grootste succes kende de LHC in 2012, toen fysici in de versneller het langgezochte higgsdeeltje ontdekten. Dat deeltje wordt breed beschouwd als het laatste ontbrekende puzzelstukje van het zogeheten standaardmodel, de natuurkundetheorie die alle deeltjes en hun gedrag in een enkele wiskundige formule giet. Volkskrant George van Hal 21 januari 2019 [https://www.volkskrant.nl/wetenschap/cern-onthult-plannen-voor-nieuwe-megaversneller-van-100-kilometer~b447c001/ Cern onthult plannen voor nieuwe megaversneller van 100 kilometer]
Etymologie
*afgeleid van fysica
Vertalingen
Engelsphysicist
Fransphysicien
DuitsPhysiker
Spaansfísico
Poolsfizyk
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek