fundament

onzijdig (het)/ˌfʏndaˈmɛnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de basis waarop een huis wordt gebouwd
    Het fundament was verzakt dus kwamen er diverse scheuren in de muren.
  2. de basis waarop verder gewerkt kan worden
    Het fundament is gelegd door hier de uitgangspunten van deze opdracht te bespreken.
    Net als zijn geestverwant Poetin in Rusland een kwart eeuw geleden deed, legt president Trump nu een fundament onder de kleptocratische maffiastaat die hij voor de VS voor ogen heeft.[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/04/16/de-poetin-trekjes-van-trumps-revolutie-a4890180 www.nrc.nl (16 apr 2025)]

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘grondslag’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240