fuif
mannelijk/vrouwelijk (de)/fœyf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vrolijk besloten feestVeel mensen drinken bier op een fuif.
Etymologie
* Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘feest’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1884
Vertalingen
Engelsparty
Fransfête, boum
DuitsFete, Party
Spaansguateque, fiesta
Italiaansfesta
Zweedsparty
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek