fuga
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfyɣa/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziek) meerstemmig muziekstuk met veelvuldige herhaling van het hoofdthema
Etymologie
* Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘meerstemmig stuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1739
Vertalingen
Engelsfugue
Fransfugue
DuitsFuge
Spaansfuga
Portugeesfuga
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek