frigo

mannelijk (de)/ˈfriɣo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ruimte die gekoeld kan worden voor het bewaren van voedsel en andere bederfelijke waar
    Opvallend is het aantal stukken dat NRC wijdt aan het verschillende taalgebruik in het noorden en het zuiden. Zo maken journalisten zich vrolijk over woorden als droogzwierder (centrifuge), koets (kinderwagen) of duimspijker (punaise). Tot slot nog dit: onder de nogal voortvarende kop ‘Het geruzie is voorbij’ maakte NRC destijds wel degelijk de juiste analyse. „De (communautaire) kwestie is in de ijskast gestopt en de vraag is alleen hoe lang de deur daarvan gesloten blijft”, concludeerde de krant in 2000. Een juiste analyse dus. Alleen… kwestie? … ijskast? … gestopt? In Vlaanderen zouden ze zeggen: „De affaire is in de frigo gestoken.”NRC Peter Vandermeersch 2 oktober 2010
  2. pejoratief (pejoratief) vrouw die nooit zin in seks heeft

Etymologie

*van "frigo"

Vertalingen

Engelsrefrigerator