fresia
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfreziˌja/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- benaming voor planten uit het geslacht uit de lissenfamilie, vaak gebruikt om de bloem aan te duiden wanneer die als snijbloem wordt gebruikt
Etymologie
*(eponiem), van Neolatijn "Freesia", met in 1866 als eerbetoon gevormd uit de familienaam van de 19e-eeuwse Duitse arts en botanist Friedrich Heinrich Theodor Freese (1794-1878) door zijn vriend, de 19e-eeuwse Duitse botanist , in de betekenis van ‘knolgewas’ aangetroffen vanaf 1927
Vertalingen
Engelsfreesia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek