freestyle

mannelijk (de)/ˈfriːstɑjl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sportbeoefening waarbij de deelnemers iedere gewenste stijl of methode mogen gebruiken o.a. van toepassing bij snowboarden, skiën, skateboarden, BMX en kajakken
  2. bergsport zonder hulpmiddelen
  3. improviserend
  4. waarbij de onderdelen in variabele aantallen en in een variabele volgorde mogen worden uitgevoerd