freestyle
mannelijk (de)/ˈfriːstɑjl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- sportbeoefening waarbij de deelnemers iedere gewenste stijl of methode mogen gebruiken o.a. van toepassing bij snowboarden, skiën, skateboarden, BMX en kajakken
- bergsport zonder hulpmiddelen
- improviserend
- waarbij de onderdelen in variabele aantallen en in een variabele volgorde mogen worden uitgevoerd
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek