foutenmarge

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfɑutə(n)ˌmɑrʒə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mate van onzekerheid bij de uitslag van een steekproef, statistische meting enzovoort
    Professor Herman Goossens heeft afgelopen weekend zelf vastgesteld dat de foutenmarge bij zelftests groot is bij lagere temperaturen.

Vertalingen

Engelsmargin of error, error rate
Franscoefficient d'erreur, marge d'erreur