Fok

mannelijk/vrouwelijk (de)/fɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag, het fokzeil
  2. scheepvaart (scheepvaart) onderste razeil aan de fokkemast van vierkantgetuigde schepen
  3. figuurlijk (figuurlijk) bril
    zet die fok eens op je gok, man!
zelfstandig naamwoord
  1. teelt van dieren

Etymologie

**: "fokken" zonder de uitgang -en

Vertalingen

Engelsjib, foresail, specs
Fransfoc, besicles, élevage
DuitsFock, Nasenfahrrad, Zucht
Spaansfoque, vela de trinquete
Italiaansfiocco