fluweel

onzijdig (het)/flyˈwel/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. textiel (textiel) een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde of katoen met de kettingdraden zijn meegeweven en afgesneden
    Het werd opgeborgen in een kistje gevoerd met fluweel.
    De achterkamer werd gedomineerd door een monsterlijk, ondateerbaar hemelbed met vier vergulde zuilen in Egyptische stijl waarop een baldakijn rustte van donkerrood fluweel, met geborduurde sterren van gouddraad. Wie zou in staat zijn te bevroeden hoeveel zuchten en gefluisterde geheimen er onder die sterrenstof waren blijven hangen?
    'Dat zware fluweel heb je nodig om de mist van de gracht buiten te houden,' merkt Maren op.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘geweven stof’ voor het eerst aangetroffen in 1336

Uitdrukkingen

  • Iets met fluwelen handschoenen aanpakkenHeel voorzichtig te werk gaan
  • Op fluweel zittenHet heel goed hebben

Vertalingen

Engelsvelvet
Spaansterciopelo