florist

mannelijk (de)/floˈrɪst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die bloemen kweekt of verkoopt
    ‘Een bloementuin!’ zei hij, met een snelle blik op Vink. ‘Zijn het tulpen?’ Hij boog zich naar voren. ‘Waarachtig, het zijn Duycken en niet zo weinig ook. Een florist had ik niet achter u gezocht!’
  2. persoon, kunst (persoon) (kunst) schilder die vooral bloemen schildert
  3. persoon (persoon) iemand die de wilde flora in een specifiek gebied bestudeert
    Hoewel Hugo de Vries zijn studie als florist was begonnen, openden zich voor hem na het lezen van J. Sachs' ‘Lehrbuch der Botanik’ (1868) geheel nieuwe perspectieven. De Vries besloot zich voortaan aan de experimentele plantkunde te gaan wijden.

Etymologie

*gevormd uit Latijn "floris" (van de bloem)