flessenhouder

mannelijk (de)/ˈflɛsə(n)ˌhɑudər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voorwerp met uitsparingen om een of meer flessen in te zetten, zodat ze in de gewenste stand op hun plaats blijven
    Ik deed het raampje naar beneden, gooide de sigaret naar buiten, stak een nieuwe op en nam een slok uit de fles. Ik zette hem in de flessenhouder en begreep niet waarom ik dat zonet niet had gedaan. Daar stond hij ook zonder dop veilig.