flan
mannelijk (de)/flɑn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kookkunst) nagerecht gemaakt uit in melk geklopte eieren en meel, met toevoegingen voor de smaakIn het restaurant op de vierde verdieping bestelde hij vis in roomsaus met aardappelpuree, en koos als nagerecht flan. Na twee lepels flan voelde hij steken in zijn zij en werd door flauwte bevangen.
- (kookkunst) vlak rond gebak met daarin een zoete of hartige vullingAl spoedig serveerde mijn leerling tijdens de les koffie of thee met iets lekkers erbij, ik moest de bloemen in haar tuin bewonderen - anjelieren en tubéreuzen vormden haar specialiteit-, vriendschap sluiten met haar twee oude honden, en weldra kreeg ik ook eigengemaakte heerlijkheden mee, pâté, flan of confiture.
- (drukkerij) karton dat als matrijs wordt gebruiktDe gezette teksten werden afgedrukt in bevochtigd, uit verschillende lagen bestaande, matrijzenkarton. Dit karton (ook wel flan genoemd) werd gebogen in een apparaat geplaatst zodat men hiervan halfronde afgietsels kon maken (stypen). Deze werden met meerdere tegen elkaar op de cilinders van de rotatiepers gemonteerd.
Etymologie
*van "flan"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek