flamoes
mannelijk/vrouwelijk (de)/flaˈmus/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) vrouwelijk geslachtsorgaan, meestal alleen de uitwendige delen aanduidendAl wil hij zich wel eens, in een Freudiaanse drang, onderwerpen aan de schroklust van een ‘vette flamoes’.
Etymologie
*herkomst onzeker, in de betekenis van ‘kut’ aangetroffen vanaf 1914
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek