flageolet

mannelijk (de)/ˌflaʒoˈlɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziekinstrument (muziekinstrument) fluit die een octaaf hoger klinkt dan de dwarsfluit
  2. muziek (muziek) open orgelregister dat de tonen van de flageolet nabootst
  3. muziek (muziek) flageolettoon
  4. groente (groente) platte, bleekgroene peulvrucht van

Etymologie

*[4] in de betekenis van ‘boon’ voor het eerst aangetroffen in 1916

Vertalingen

Spaanscaramillo, flauta de pico, flauta de recta