fitnesstraining

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfɪtnəsˌtrenɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. training die erop gericht is de algemene conditie te verbeteren
    Luc begon zijn fitnesstraining om tien uur. Als warming-up zat hij in zijn trainingspak een sigaret te roken, waarna hij het roeiapparaat uit de kast sleepte, de televisie aanzette en begon te roeien terwijl hij strak naar het beeldscherm staarde. {{Aut|Sandes, David