finaledag

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de laatste dag van een toernooi, waarop de laatste en beslissende wedstrijden worden gespeeld; de dag van de finale
    Maar van Astrid Stockman wist ik dit jaar bijvoorbeeld dat ze een van de finaledagen niet kon. Ze had een concert in Frankrijk in haar agenda staan. Zodra ik zag hoe goed ze het deed, ben ik meteen naar een nieuwe datum gaan zoeken.
    Van Gerwen kende overigens een prima finaledag, met zeges op Mensur Suljovic (6-4), Krzysztof Ratajski (6-5) en - in de halve finale - Dave Chisnall (7-1). In al zijn partijen, ook in de finale, scoorde Mighty Mike gemiddeldes van boven de 100.