fiksen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. in orde maken / voor elkaar krijgen / oplossen van problemen
  2. zorgen dat iets het weer doet als het kapot is
    Het is een eenvoudig karretje met een terugtraprem, een bagagerekje en een blauw voorwiel. In dat laatste zit hem de kneep. Aan de blauwe band kun je zien dat het een fiets is van Swapfiets, een idee van een stel Delftse studenten (u begrijpt het blauw). Studenten en fietsen zijn een goede combinatie, weet elke inwoner van een studentenstad. En een slechte. Want ze rijden steevast op barrels: altijd is er wel een band lek, een lamp stuk, en als alles werkt, is hij al snel gestolen. Neem deze zorgen weg voor een vast bedrag per maand en je hebt misschien wel een aardig bedrijfsconcept, dachten de oprichters van Swapfiets. Ze kochten veertig fietsen op Marktplaats die ze verhuurden aan kennissen en vrienden. De belofte: als er iets mis is, breng je hem langs en fiksen wij hem.Volkskrant Bard van de Weijer 27 mei 2017

Etymologie

* uit het Engels

Vertalingen

Engelscope