fikfakken
/ˈfɪkfɑkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (spreektaal) verliefd zitten praten of verliefd aanrakenDe kinderen zochten hem op, maar hij keek nauwelijks naar ze om, lag er als een dood vogeltje bij… tot de hoofdverpleegster verscheen. Toen leefde hij op, deed hij zich voor als een ‘olijk’ persoon en begon meteen met haar ‘te grappen en te grollen en te fikfakken’.
- (inerg) (spreektaal) tijd verdoenZonnekloppen aan het zwembad, relaxen met een glaasje wijn en een boek in de schaduw, mountainbiken in de bossen, gastronomisch genieten in de restaurants in de omgeving, een avontuurlijke tocht door de ravijn, zwemmen in één van de naburige meren, een bezoek aan een kasteel of een grot, een kajaktocht in de Pyreneeën, een dagje naar de zee, fietsen aan Canal Du Midi, een dorpsfeest, een spelletje petanque bij ondergaande zon, fikfakken in het zwembad, …
- (inerg) (spreektaal) speels een beetje vechtenVoor dat alles moet hij thuis nooit meer doen dan zijn pantoffels aanschieten, zijn krant lezen en fikfakken met de kleinen.
- (inerg) (spreektaal) zich druk maken zonder dat het nut heeft, op een verkeerde manier bezig zijnHet land ontkerstent, de christelijke politiek is via de stembus gemarginaliseerd, maar de aangekoekte restjes ervan weten nog wel een jezuïetenstreek in elkaar te fikfakken, via die weeffout van de archaïsche, niet rechtstreeks door het volk gekozen Eerste Kamer – ooit bedoeld om wetten te toetsen, nooit om politieke macht uit te oefenen.
Etymologie
*van "fickfacken" "heen en weer lopen, uitvluchten zoeken, tegensputteren, geintjes uithalen", in de betekenis "verliefd zitten praten" aangetroffen vanaf 1636-1638
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek