fijntjes

/ˈfɛincəs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. op een fijne, subtiele wijze
    een blaadje, een takje, zo fijntjes en lieflijk weergegeven dat het soms lijkt alsof het zonlicht erdoorheen schijnt.
  2. figuurlijk (figuurlijk) netjes en correct (van gedrag)
    Lang geleden, ik geloof wel meer dan twintig jaar, ben ik eens bij de Eerwaarde Moeder op bezoek geweest en mocht toen ook eens een kijkje inde school nemén, ’t Zag er fijntjes uit, hoor en o, zulke aardige kindertjes.
  3. figuurlijk (figuurlijk) op (religieus) dogmatische, strenge wijze
    De Katholijken klagen, dat hunne regten miskend worden: onze humorist klaagt dat »in de buitenlandsche zoowel als in de binnenlandsche politiek eene neiging ontwaard wordt tot de kerk van Rome en hare belijders, die reeds menigen vrijzinnigen en onbevooroordeelden patriot heeft gestuit." Fijntjes, nietwaar?
  4. figuurlijk (figuurlijk) teer en tenger

Etymologie

*: afgeleid van "fijn"

Uitdrukkingen

  • fijntjes lachen, glimlachende zaak doorzien, maar stilletjes dat voor zich houden
  • iets fijntjes opmerkeniets fijnzinnig, op indirecte wijze opmerken, op subtiele wijze op iets wijzen
  • iemand fijntjes beetnemeniemand op een slimme, subtiele manier bedriegen.