fijfel

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfɛifəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziek (muziek) bepaald soort kleine dwarsfluit, vaak gebruikt bij tamboerkorpsen
    Uit de deuren, achter de toeschouwers, dus dóór de zaal stroomt het kermisvolk toe: kinderen en gekken met fijfel en trom, gretige verliefden met rammelaars schijven en mirlitons, ouderlingen met triangel en harmonika, kreupelen en zieken op maat van tamboerlinen; papieren linten kruisen de zaal; fanfaremuziek weerklinkt.
  2. muziek (muziek) fluit (in het algemeen)
    E. is een engel, 't is er een van de velen,F. is de fijfel, waarop hij mag spelen.

Etymologie

*van "fifre"

Vertalingen

Engelsfife
Fransfifre
DuitsPfeifer
Spaanspífano