figuur

/fiˈɣyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. afbeelding (illustratie, foto of tekening) bij een verhaal
  2. gestalte, persoon
    Er kwam een man schichtig vanaf het houten bruggetje gelopen, als een figuur uit een zwart-witfilm van Jacques Tati, die Franse komiek met kleine dribbelpasjes en een vogelkopje dat grappig schokkerig op zijn romp bewoog.
    Het blad bracht een spotprent van de filosoof: een gebochelde figuur met een hoge hoed, in ouderwetse nette kleren.
    Hij leek een permanente glimlach te hebben onder zijn borstelige snor en was hier in de wildernis duidelijk in zijn element. Na het filteren van een paar liter water deed ik mijn rugzak weer om en liep met een grote grijns op mijn gezicht door; wat een figuur.
  3. lichaamsbouw, postuur
  4. de manier waarop men door anderen wordt waargenomen en gewaardeerd
    En als er iets te verbergen valt, zou het Skelton wel eens een heel slecht figuur kunnen slaan.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gestalte, afbeelding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265

Vertalingen

Engelsfigure
Fransfigure