fermheid

vrouwelijk (de)/ˈfɛrᵊmˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het sterk, flink en moedig zijn
    In uw poging de natie te sussen heeft u de wereld onveiliger gemaakt. In uw poging tot krachtdadig taalgebruik, heeft u zwakheid getoond. Er bestaan andere vormen van fermheid dan oorlogstaal. U verwees in uw rede naar de vrijheid. U had ook naar die twee andere waarden van de Franse republiek moeten verwijzen: gelijkheid en broederlijkheid. Daar lijkt mij op dit ogenblik meer nood aan dan aan uw zeer bedenkelijke oorlogsretoriek. De Standaard 15 november 2015 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20151115_01971199 David Van Reybrouck tot Hollande: 'In uw poging de natie te sussen heeft u de wereld onveiliger gemaakt']
    Met fermheid en beslistheid zullen we optreden tegen criminelen. Het Parool 25 augustus 2008 [https://www.parool.nl/buitenland/nederland-en-suriname-willen-criminaliteit-aanpakken~a28933/ Nederland en Suriname willen criminaliteit aanpakken]
    De Turkse pers is zaterdag over het algemeen opgetogen over de houding van premier Recep Tayyip Erdogan op de EU–topconferentie donderdag en vrijdag. Veel bladen prijzen zijn fermheid in de gesprekken met EU–leiders over de start van onderhandelingen voor Turkse toetreding tot de unie. Reformatorisch Dagblad 18 december 2004 [https://www.rd.nl/vandaag/buitenland/turkse-pers-blij-met-erdogan-en-diens-resultaat-1.21625 Turkse pers blij met Erdogan en diens resultaat]

Etymologie

* afleiding van ferm

Vertalingen

Engelsfirmness, vigour, courage