feestband

mannelijk (de)/ˈfes(t)bɛnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een muziekgroep die vrolijke, feestelijke muziek maakt op feesten en partijen
    Blij werden we ook van de vele mensen die deelnamen aan de pubquiz. De hele kroeg zat vol! En dat op woensdagavond. Tenslotte werden we blij van de band de Moeflons. Een echte feestband die de kroeg op zijn kop zette. Tubantia 21-12-16 [https://www.tubantia.nl/twenterand/glazen-cafe-2016-vroomshoop-een-blije-shift~aa34edd0/ Glazen café 2016 Vroomshoop: een blije shift]
    De Limburgse feestband Rowwen Hèze sluit op zaterdag 20 augustus het culturele muziekfestival Culinesse in Rotterdam-Nesselande af. Dat heeft de organisatie dinsdag bekend gemaakt. Tubantia Gert Onnink 10-01-17 [https://www.tubantia.nl/show/feestband-rowwen-heze-sluit-culinesse-2016-af~ad5f1099/ Feestband Rowwen Hèze sluit Culinesse 2016 af]
    Prinses Sandra komt uit Doetinchem, ze is getrouwd met Fons en heeft drie kinderen (Carmen, Susan en Hilde). Ze werkt in de ouderenzorg bij De Burgstede in Lemerlerveld en is in Haarle onder meer actief lid van de tennisclub en feestband . Behalve de nieuwe prinses werden ook jeugdprinses Paris en adjudant Wesley gehuldigd. Tubantia Han Haveman 22-01-17 [https://www.tubantia.nl/hellendoorn/prinses-voor-sukkewottels~abdcf9ef/ Prinses voor Sükkewottels]