fatsoenering

vrouwelijk (de)/fɑtsuˈnerɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geheel van handelingen om een gewenste behoorlijke toestand te bereiken, zodat iets of iemand er weer netjes uitziet of gedrag aan traditionele normen voldoet
    ‘De eerste wenken tot de dagelijkse hygiëne,’ las ik. ‘Wenk één: Onverschillig of de hand aantrekkelijk is of niet, de juiste handeling van de nagels en hunne zorgvuldige fatsoenering en polijsting, geeft aan elke hand, goed of slecht het voorkomen van welopgevoedheid.’

Etymologie

* van "fatsoeneren"