fanfare
mannelijk/vrouwelijk (de)/fɑɱˈfarə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziek) een marcherend koperblaasorkest, fanfarekorpsHij liep mee met de fanfare.
- (muziek) een muziekgenre dat zich toelegt op [1], fanfaremuziek
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘muziekstuk voor koper’ voor het eerst aangetroffen in 1655
Vertalingen
Engelsfanfare, flourish
Spaanscharanga, marcha, pasodoble
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek