falie
vrouwelijk (de)/'fali/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- gezicht, smoelIk zal 'm eens flink op z'n falie geven.
- Arch. (1811) Nederduitsch taalkundig woordenboek. P. Weiland 1807-1811: een sluier tot de vrouwenkleding behorendDe witte linnen huiven der vrouwen waren met zwarte falies gedekt of met kaproenen. -- Bosboom-Toussaint: Het huis Lauernesse.
- Arch. (1811) Nederduitsch taalkundig woordenboek. P. Weiland 1807-1811: iemand die iets te verbergen heeft, vanwaar falievouwen: geveinsd handelen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek