fakkel

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
    Aan de overkant van de gracht sluimerden de ommuurde tuinen van Papadopoli, waar gemaskerde gasten van geheime feesten bij het vuur van fakkels als schimmen verschenen, gehuld in de zwarte mantel van de nacht.

Etymologie

*Oude ontlening, via vulgair Latijn facla, aan klassiek Latijn facula

Vertalingen

Engelstorch
Fransflambeau, torche
DuitsFackel
Spaansantorcha, hacha, tea
Japans松明
Zweedsfackla
Deensfakkel