fade

mannelijk/vrouwelijk (de)/fet/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geleidelijk verandering van geluidssterkte of belichting
  2. filmkunst (filmkunst) geleidelijk, met een tijdelijke vervaging, in elkaar overvloeien van beelden
    In de loop van de filmgeschiedenis maken regisseurs steeds minder gebruik van zachte overgangen zoals de fade en de overvloeier: men kreeg het gevoel dat gewone cuts ook op een vloeiende en coherente manier overgangen tussen scènes konden aanduiden.
    Aan het einde van het vierde hoofdstuk van Oude verf, de jongste roman van Pjeroo Roobjee, droomt de hoofdpersoon, de 109-jarige maar nog zeer kwieke Clothaire Decreus, van een karakter-speler van de KVS, wiens gestalte zoals bij een fade verwazigt en verandert in die van een man die ziek in bed ligt en daar in dikke boeken, woordenboeken en delen van een encyclopedie bladert.
  3. sport (sport) (golf) geslagen bal die licht naar rechts afbuigtBij linkshandige spelers: een bal die licht naar links afbuigt.
    Toen golfster en drievoudig majorwinnares Nancy Lopez werd gevraagd hoe ze bij haar afslag kon afwisselen tussen een fade (voor rechtshandige spelers een bal die van links naar rechts draait) en een draw (andersom), antwoordde ze: 'Ik denk gewoon “fade”, of ik denk “draw”.
werkwoord
  1. zonder aantrekkingskracht of overtuiging
    Hij is patriciër, en rijk, heeft een meesterstitel, bezit een volbloedschimmel, maar is geestelijk in alle opzichten Alberts mindere. Hij treedt wel zelfverzekerd op, maar hij maakt fade complimenten, en voelt maar oppervlakkig.

Etymologie

*[B]: van "fade"