fabriek

vrouwelijk (de)/faˈbrik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
    De arbeiders gingen iedere ochtend naar de fabriek om daar te werken.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘industrieel bedrijf’ voor het eerst aangetroffen in 1764

Vertalingen

Engelsfactory, plant, works
Fransusine
DuitsFabrik
Spaansfábrica
Russischфабрика, завод
Deensfabrik