faam

mannelijk/vrouwelijk (de)/fam/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. reputatie
    Deze man schijnt te goeder naam en faam bekend te staan.
  2. roem
    Die acteurs van tegenwoordig genieten van grote faam.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘reputatie, roem’ voor het eerst aangetroffen in 1250

Uitdrukkingen

  • Te goeder naam en faam bekend staanbekend staan voor goede dingen

Vertalingen

Engelsreputation, fame
Fransrenommée, célébrité
DuitsRuf, Leumund, Ruhm
Spaansfama, fama, renombre