expres

mannelijk (de)/ɛkˈsprɛs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. spoorwegen (spoorwegen) verkorte vorm van exprestrein
    Hij ging met de expres op vakantie.

Etymologie

#met opzet

Vertalingen

Engelsdeliberately, on purpose, express
Fransexprès, délibérément, express
Duitsabsichtlich
Spaansa caso hecho, adrede, adredemente