Exodus

mannelijk (de)/ˈɛksodʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uittocht van een grote groep mensen met als doel niet meer terug te komen
    Qaraqosh, de grootste christelijke stad in Irak, werd in 2014 onder de voet gelopen door IS. Eind vorig jaar werd IS verdreven, maar de bevolking keerde niet terug: de christenen vertrouwen hun sunnitische buren niet meer. De exodus van christenen in Irak was al veel langer aan de gang, al sinds de Amerikaanse invasie van 2003 het land in de chaos stortte. NRC Gert van Langendonck 27 april 2017
    Erdal Balci schreef vorige week een mooi, genuanceerd stuk over de exodus van seculiere Turken uit Istanbul in Vonk. Eerst had de conservatieve koers van Erdogan hen verjaagd, nu waren het de aanslagen van IS. De redactie plaatste een link naar het stuk op Facebook met de kop: 'IS richt zijn pijlen op Istanbul, gesteund door Erdogans conservatieve koers.'Volkskrant Annieke Kranenberg 14 januari 2017
  2. vertrek van bedrijven en organisaties

Etymologie

*van "Exodus" uit de , in de betekenis van ‘uittocht’ voor het eerst aangetroffen in 1528

Vertalingen

Engelsexodus
Fransexode
DuitsExodus
Spaanséxodo
Italiaansesodo
Portugeesêxodo