exactheid

vrouwelijk (de)/ɛkˈsɑkthɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het heel precies goed zijn van iets
    Het werk van Messiaen als diepgelovig rooms-katholiek mag dan van wierook omfloerst zijn, tegelijk is hij de meester van de exactheid, wat Boerema zeer juist vaststelt in zijn noodzakelijk uitvoerige toelichting. Zo vormen muziek, orgel, vertolking en perfecte techniek, mét de terecht ruimtelijke opname, een glorieuze eenheid. Het tempo van Boerema, royaal vlotter dan Tanke en rustiger dan Van der Steen, houdt de aandacht gevangen. Reformatorisch Dagblad Piet van de Wege 20-04-2017 [https://www.rd.nl/muziek/gedraaid/recensie-hayo-boerema-speelt-messiaen-ii-1.1394377 Recensie: Hayo Boerema speelt Messiaen II]
    Zo zegt Marjoleine de Vos het niet. Zo zeg ík het, nog altijd belast met de erfzonde van de wijsbegeerte die meer vertrouwt op exactheid dan op poëzie. NRC Ger Groot 26 april 2018 [https://www.nrc.nl/nieuws/2018/04/26/een-welluidend-pleidooi-voor-tevredenheid-a1600998 Een welluidend pleidooi voor tevredenheid]

Etymologie

* afleiding van exact

Vertalingen

Engelsaccuracy, precision, exactness