euforie

vrouwelijk (de)/ˈøfori/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verhoogd gevoel van welzijn; gevoel van zeer groot welbehagen; gevoel van zich wel te bevinden; ook kunstmatig opgewekt door het gebruik van opium enz., en bij sommige ziektetoestanden bestaand
    Er was een grote euforie bij de deelnemende landen toen de klimaattop in Parijs tot een goede einde was gekomen.
    Er heerste een grote euforie in Nederland toen we Europees kampioen voetballen werden.

Etymologie

*afgeleid van eufoor

Vertalingen

Engelseuphoria
Franseuphorie
DuitsEuphorie
Spaanseuforia
Portugeeseuforia