escaleren

/ɛskaˈlerə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit, uit de hand lopen
    Ze stellen zich terughoudend op om te voorkomen dat de zaak escaleert.
    Men verwacht niet dat het grensconflict escaleert tot een totale oorlog.
  2. ov (ov) heviger maken
  3. ov (ov) ter beslechting voordragen aan hogergeplaatsten
  4. inerg, scheepvaart, verouderd (inerg) (scheepvaart) (verouderd) aanleggen in een haven

Etymologie

*[4]: van "escaler"

Vertalingen

Engelsescalate
Duitseskalieren
Spaansescalar