erom

/ɛˈrɔm/

Betekenis

bijwoord
  1. persoonlijk *om+het, *om+ze: om de reden,
    Hij heeft het erom gedaan.
    Hij probeerde een 1 aprilgrap uit te halen, maar niemand moest erom lachen.
    Het gaat erom dat „bekende overlastgevers” binnen blijven, aldus Dijkhoff. Hij heeft hierover maandag met burgemeesters gesproken, zei hij in het radioprogramma Dit is de Dag. NRC 13 december 2016