ergerlijkheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iets of iemand irritant is
    Dat ze gemist hadden hoe hij op Mongolië was overgegaan, vergrootte de ergerlijkheid van dit vreemde, niet ter zake doende thema.
    Maar wie gewend is aan Joep Schreuder en de lullige ergerlijkheid die om de man heen hangt als de geur van viooltjes rond een parfumfabriek als een onoverkomelijkheid heeft leren te accepteren, begint hem te gedogen. En voor wie maar lang genoeg ergens aan gewend is geweest, kan er op een gegeven moment niet meer zonder.
  2. iets dat irritant is

Etymologie

* afleiding van ergerlijk