erfgenaam

mannelijk (de)/ˈɛrᵊfxəˌnam/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon die bij wet of testament is aangewezen als erfgenaam en daarom bij overlijden door erfopvolging een nalatenschap (erfenis) geheel, of samen met anderen gedeeltelijk, verkrijgt

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands erfghenāme, samenstelling uit erf en een nomen agentis van de stam van nemen, eigenlijk ‘die de erfenis neemt’. Evenzo afgeleid waren Oudhoogduits erbinomo, Oudfries erfnama, -noma, Oudengels irfenuma en Gotisch arbinumja.

Vertalingen

Engelsheir
Franshéritier
DuitsErbe
Spaansheredero
Italiaanserede
Portugeesherdeiro
Russischнасле́дник
Arabischوَرِيث‎
Poolsspadkobierca, dziedzic