erectie

vrouwelijk (de)/eˈrɛksi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) oprichting van het mannelijk lid, meestal door seksuele opwinding
    Hij kan geen erectie krijgen.
    Er gebeurden rare dingen in me wanneer we daar achter een paar struiken stonden en elkaar streelden zonder dat ze ook maar één keer mijn handen weghaalde. Het was niet alleen dat mijn hartslag toenam en ik een erectie kreeg, het was alsof ik werd opgepompt als een autoband en elk moment kon ontploffen.
  2. verouderd (verouderd) oprichting, opbouwing, bouw

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘oprichting van de penis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1850

Vertalingen

Engelserection
Fransérection
DuitsErektion
Spaanserección
Portugeeserecção