epilepticus

mannelijk (de)/ˌepiˈlɛptikʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) iemand met een aandoening aan de hersenschors die leidt tot aanvallen waarbij de waarneming of bewegingen ernstig verstoord zijn
    Aan een grote epilepsieaanval kan een korte periode voorafgaan die ‘aura’ heet; de epilepticus heeft een starende blik en een gedeeltelijk verlies van bewustzijn.

Etymologie

*van Latijn "epilepticus"